|
03 april 2008 |
|
Orale, dubbelblinde provocaties zijn een belangrijk middel om hazelnoot- of pinda-allergieën bij kinderen vast te stellen. Dat stelt Annebeth Flinterman in haar proefschrift, waarop ze donderdag is gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht.
Bij een dubbelblinde, placebo gecontroleerde voedsel provocatie (DBPCFC) worden twee bijna identieke voedingsmiddelen aangeboden, waarbij de ene wel het allergeen bevat en de ander niet. Zowel de patiënt, als behandelaar, weet niet in welk voedingsmiddel het allergeen zit. Ieder half uur krijgt de patiënt in oplopende hoeveelheid een portie. De provocatie wordt gestopt zodra er reacties optreden. Deze onderzoeken gebeuren in een ziekenhuis, waarbij de patiënt onder controle van een arts staat.
Flinterman heeft laten zien dat in het geval van hazelnootallergie de herkenning van een specifiek allergeen bepalend is. Bij pinda-allergie gaat het meer om het aantal allergenen dat herkend wordt.
Bij pinda-allergie bleek verder dat er verschil is tussen de epitopen waaraan de antistof IgE bindt en die waardoor de T-cel wordt gestimuleerd. Door gebruik te maken van pinda-peptiden die niet door IgE worden herkend, maar die tegelijkertijd wel de T-cel afweer stimuleren, zou in de toekomst mogelijk een veilige en allergeen-specifieke immunotherapie ontwikkeld kunnen worden voor de behandeling van hazelnoot- en pinda-allergie. |